Voor veel jongeren is het OV appeltje-eitje: je tikt in met je pas of mobiel en je bent onderweg. Maar als je wat ouder bent, ken je nog een heel ander systeem. Een klein kartonnen kaartje dat je goed moest bewaren en bij instappen liet stempelen.
Dat was de strippenkaart, jarenlang het standaard kaartje voor bus, tram en metro.
Een vertrouwd ritueel bij elke rit
Met de strippenkaart deed je meer dan alleen plaatsnemen. Het hoorde bij een soort routine. Je liep de bus in, speurde naar de stempelautomaat en schoof je kaart erin.
Met een duidelijke ‘klik’ en een stempel met datum en zone begon je rit officieel. Dat kleine moment hoorde er onlosmakelijk bij.

Zo werkte de strippenkaart
Op de kaart stonden rijen vakjes, de zogeheten strippen. Hoe langer je rit, hoe meer van die vakjes een stempel kregen.
Je bepaalde zelf hoeveel strippen je kwijt was. Dat hing af van het aantal zones dat je doorkwam. Je was dus niet alleen op pad, je moest ook even meerekenen.
Waarom dat systeem verdween
Toen digitale oplossingen zoals de OV-chipkaart kwamen, werd reizen veel makkelijker en sneller. Geen gezoek of getel met strippen meer, en ook geen stempels nodig.
Voor vervoerders werd controle en afrekening bovendien een stuk overzichtelijker. En zo verdween de strippenkaart stap voor stap uit het straatbeeld.
Een vertrouwd stukje alledaagse routine
Wie ermee is grootgeworden, krijgt meteen een golf van nostalgie. Het turen naar een leeg vakje, het tikje van de stempel, en af en toe die spanning of je nog wel genoeg strippen over had.
Het was niet foutloos, maar wel lekker tastbaar en vertrouwd. Een simpel kartonnen kaartje dat symbool stond voor reizen in een andere tijd.
